Henri Van Hoof vocht zeventig jaar geleden mee in de Koreaanse oorlog: “Vaak domme fouten gemaakt”

23/08/2020, 08:45
https--static.gva.be-Assets-Images-Upload-2020-08-21-e85c7270-e204-11ea-8557-9a6fda2f9cb5
© J. De Weerdt
Shares342

Zeventig jaar geleden, in 1950, begon de Koreaanse oorlog. Drie jaar lang vocht een internationale troepenmacht onder Amerikaans commando er tegen het Noord-Koreaanse en Chinese leger. Onder hen bevonden zich meer dan drieduizend Belgische soldaten, de 85-jarige Henri Van Hoof was een van hen.

‘Anno 2020 zijn er nog maar een handvol veteranen in leven. Een van hen is Henri Van Hoof (85), geboren in Beerse en tegenwoordig woonachtig in Duffel. Naar eigen zeggen is zijn geheugen niet meer zo geweldig – “telkens ik naar de kapper ga, worden er precies ook een paar herinneringen weggeknipt” – maar dat blijkt tijdens het interview heel goed mee te vallen. “Ik ben in 1951 op mijn zestiende bij het leger gegaan, bij de zesde genie in Leopoldsburg. Maar ik moest wachten tot ik 18 was voor ik me als vrijwilliger bij het Korea-bataljon kon aanmelden.”’

‘Zijn motivatie was een combinatie van principes en familiebanden: “Mijn oudere broer Louis, die met de boot uit Antwerpen is vertrokken, zat al in Korea en ik vond dat ik ook moest gaan. In totaal heeft Louis drie toeren in Korea gedaan.” Wat erg zeldzaam is: slechts negentien Belgische vrijwilligers maakten zo’n hattrick.’

‘Bruine baret’

‘In afwachting van zijn achttiende verjaardag kon Henri al wel de opleiding volgen, in onder meer Marche-les-Dames. “Die was erg zwaar, met moeilijke oefeningen en een heel strenge discipline. Een kameraad met wie ik in Leopoldsburg op de slaapzaal lag, moest opgeven, maar ik heb tot het einde volgehouden. Toen had ik mijn eerste ‘veldslag’ er trouwens al op zitten: in de winter van 1953 werd ik na de grote overstromingen in Zeeland daar twee weken ingezet.”’

‘Vlak na zijn achttiende verjaardag kreeg Henri zijn bruine muts en werd zo officieel lid van het Belgische Korea-bataljon. “Die baret heb ik nog steeds en moest ik recent weer eens opzetten, tijdens de begrafenis van een Korea-veteraan uit het Gentse, Leon Desmet. Die heeft later trouwens nog in het Vreemdelingenlegioen gediend.”’

‘Domme fouten’

‘In januari 1954 vertrok hij, samen met 53 andere soldaten, van de militaire luchthaven Melsbroek naar Korea. “We waren de laatste lichting.” Inmiddels was de wapenstilstand afgekondigd, maar het was een gewapende vrede – technisch gezien zijn Noord- en Zuid-Korea nog steeds in oorlog – en veel veranderde er niet aan het front. “Voor ons bleef alles hetzelfde, met loopgraven, wachtposten en de klok rond patrouilles. We stonden allemaal op scherp en er waren geregeld incidenten, zowel aan onze kant als bij de Chinezen (Henri omschrijft de vijand steevast als Chinezen, red.), met soms doden tot gevolg. Vaak waren dat gewoon domme fouten.”’

‘De veteranen gaven nieuwelingen zoals Henri dan ook meteen een stoomcursus: “Wees altijd alert, want de vijand kan er zo staan. Dit mag je doen en dat vooral níét. Ze kenden na twee jaar in Korea het klappen van de zweep.”’

‘Kogels tonen’

‘Soms viel de vijand, ondanks de wapenstilstand, toch aan. “Dan zagen we, na een artilleriebeschieting, plots honderden, nee duizenden soldaten verschijnen. Dat gebeurde altijd vlak voor zonsopgang, in het land van de stille ochtend. Nadien waren er altijd mannen die geen licht of donker meer konden zien.”’

‘Er werden bijna dagelijks gevangenen gemaakt. “Ik ben vaak genoeg groepjes Chinese soldaten tegengekomen die tijdens een patrouille werden opgepikt of terwijl ze door onze linies probeerden te sluipen. Ik kon er natuurlijk niet mee praten en ze werden altijd snel naar de achterhoede gebracht.” ‘

‘Elke ochtend moesten Henri en zijn medesoldaten uit hun bunker komen en tijdens het appel hun wapen leegmaken om te laten zien dat ze nog al hun kogels hadden. “Zelfs de scherpschutters van het bataljon moesten in de rechterhand dagelijks hun kogels tonen. En als er één ontbrak, dan moest je dat kunnen rechtvaardigen.”’

‘Vriendinnetje in Seoel’

‘En dan was er nog het Koreaanse klimaat. “Ik heb er twee winters met temperaturen onder de min 20 graden en evenveel bloedhete zomers meegemaakt. Dat was geen lachertje. Om nog maar te zwijgen over de eindeloze regen die aan elke winter voorafging. Zes weken duurde dat! En de modder… Dat was heel zwaar. En u moet weten dat we toen allemaal jonge, fitte kerels waren, he.”’

‘In dat verband had Henri zelfs een Koreaans vriendinnetje. “Helaas ben ik haar naam vergeten, maar ik leerde ze in Seoel kennen. Daar werden we voor het weekendverlof met een camion naartoe gebracht.” De communicatie verliep niet altijd even vlot. “Dat was nogal lastig, aangezien we allebei maar een paar woorden Engels en Frans spraken. Alles moest worden vertaald door een Koreaan die bij het Belgische bataljon was ingedeeld. Maar we hebben zelfs nog na mijn thuiskomst brieven uitgewisseld. Wat daar zoal instond, durf ik niet luidop te zeggen”, grinnikt Henri.’

‘Mijnwerker’

‘Na zijn tijd in Korea ging Henri als korporaal naar huis. “We vertrokken op 15 juni 1955. Met de boot ging het van Seoel naar Marseille, en daarna met de vlieger naar Melsbroek. Ik ben achteraf nog een tijdje in het leger gebleven en zelfs naar de onderofficiersschool gegaan. Toen besefte ik echter dat ik voor mijn moeder, broertje en zusje moest zorgen. Mijn kapitein zei dat ik carrière in het leger kon maken, maar ik heb toch voor mijn familie gekozen. Eerst heb ik een tijdje in de mijn van Zwartberg gewerkt en daarna overgestapt naar het internationaal transport, onder andere naar de oostzone (het voormalige Oostblok, red.). Dat heb ik tot mijn zestigste gedaan.”’

‘Zeventig jaar na de start van de oorlog in Korea betreurt Henri zijn keuze voor het leger niet. “Ik was jong, avontuurlijk en misschien een beetje dom. Maar ik denk dat ik het juiste heb gedaan en spijt heb ik nooit gehad”, besluit Henri, die door de Zuid-Koreaanse overheid in juni uitgenodigd was om aanwezig te zijn tijdens de plechtigheden. “Ik heb er eerder al aan verschillende herdenkingen deelgenomen – ik werd altijd met een militair vliegtuig naar Seoel gebracht – maar deze keer is de reis door corona in het water gevallen. Erg jammer, want waarschijnlijk was het mijn laatste kans om het land nog eens te zien.”’