‘De militaire inlichtingendienst weet niet of naam X bij de Staatsveiligheid bekend is, en omgekeerd.’

4/08/2020, 21:37
Bruxelles: un incident de tir s'est produit dans un bâtiment de l'armée
Shares137

Hadden de Belgische inlichtingendiensten de coronapandemie moeten zien aankomen? Die vraag is tot nu toe nauwelijks gesteld, laat staan beantwoord. Serge Lipszyc (62), sinds september 2018 voorzitter van het Comité I, het toezichtsorgaan van de Belgische inlichtingendiensten, is formeel: nee. ‘In de voorbije maanden hebben we de juridische analyse gemaakt. Volgens de huidige wet is noch de Staatsveiligheid, noch de militaire inlichtingendienst ADIV bevoegd om medische risico’s actief op te sporen en te bestrijden. Medical intelligence behoort niet tot hun takenpakket. Willen we dat veranderen, dan moet de wet worden aangepast.’

De Belgische inlichtingendiensten werkten de voorbije maanden wel nauw samen om desinformatiecampagnes geïnspireerd door de corona-actualiteit te monitoren. En ook de traditionele dreigingen – spionage, radicalisme, terrorisme en cyberintrusies – verdwenen niet tijdens de lockdown. Het Comité I van zijn kant rondde dit voorjaar een pak toezichtsonderzoeken af. De juridische analyse over inlichtingendiensten en pandemieën is maar een van de tien rapporten die het Comité I deze zomer voorlegde aan zijn parlementaire begeleidingscommissie.

Moet de wet gewijzigd worden zodat onze inlichtingendiensten voortaan wél pandemieën monitoren?

Serge Lipszyc: Een moderne staat moet waarschuwingssystemen hebben voor dreigende gevaren. Of je die installeert bij de inlichtingendiensten of in een andere staatsstructuur, dat is een politieke keuze. Ik wil vooral onderstrepen dat als je die opdracht voortaan aan de inlichtingendiensten zou toekennen, je er ook voor moet zorgen dat er extra middelen bijkomen om die nieuwe functie waar te maken. De ADIV heeft al meer dan een jaar geen defensieattaché meer in Peking. De dienst kampt zelfs met een personeelstekort van 20 procent. Dat levert ernstige operationele problemen op.

Na de terreuraanslagen van Parijs en Brussel kregen onze inlichtingendiensten extra middelen. Vreest u dat door de coronacrisis te weinig geld voor veiligheid zal overblijven?

Lipszyc: Eén aanzienlijke kostenpost is in ieder geval de digitalisering van onze inlichtingendiensten. Die heeft aanzienlijke vertraging opgelopen. Recent hebben we bij de ADIV de hele ICT onder de loep genomen. Dat bracht verschillende problemen aan het licht. Databanken, bijvoorbeeld, zijn in de loop van de jaren zodanig in omvang toegenomen dat het vrijwel onmogelijk wordt om in de astronomische hoeveelheden gegevens nog efficiënt relevante gegevens terug te vinden. Verder kampt de ADIV met een ernstig tekort aan ICT-personeel. En het belangrijkste punt: iedereen werkt vandaag nog in zijn eigen silo. De ADIV weet niet of naam X bij de Staatsveiligheid bekend is, en omgekeerd. Zelfs binnen verschillende afdelingen van de ADIV speelt die kwestie op.

Konden onze inlichtingenofficieren dit coronavoorjaar telewerken?

Lipszyc: Dat was vrijwel onmogelijk. Daarvoor vormen hun ICT-systemen veeleer een obstakel dan een oplossing. De meeste informatie die inlichtingendiensten inzamelen komt terecht in geclassificeerde documenten. Die mag je enkel via beveiligde lijnen rondsturen, maar die hebben we niet in België. Steeds vaker zoekt men een toevlucht tot koeriers die documenten ronddragen, want het risico van infiltratie door hacking is reëel.

Bij de Staatsveiligheid kon een deel van het personeel gelukkig nog terecht in de provinciale posten. Bij de ADIV niet. Daar zagen we de voorbije maanden dan ook een daling in de productiviteit.

Het ontbreekt aan beveiligde lijnen om data te verzenden, maar kunnen onze inlichtingendiensten op z’n minst veilig bellen?

Lipszyc: Ook dat is een probleem. Een telefonisch gesprek over specifieke dossiers is vandaag gewoon onmogelijk. Ze hebben géén beveiligde telefoonlijnen. België gaat wel een contract afsluiten met Thales voor 2500 beveiligde gsm’s. Dat is al iets, maar het is te weinig.

Samen met het Controleorgaan op de politionele informatie onderzocht u BelPIU, de Passenger Information Unit bij Binnenlandse Zaken die sinds 2018 passagiersgegevens verwerkt. Een succes?

Lipszyc: BelPIU staat vandaag nergens. Er is een aanzienlijke vertraging. Het voldoet niet aan de verwachtingen. Informatie is maar gedeeltelijk voorhanden. De moeilijkheid is dat je moet samenwerken met privépartners. Niet alle luchtvaartmaatschappijen leveren gegevens aan. Bovendien zijn er technische problemen om databanken over spoorverkeer en buslijnen met elkaar te verbinden.

Vier jaar na de aanslagen in Brussel is er nog altijd geen spoor van een kruispuntbank voor veiligheid, wat nochtans een aanbeveling was van de parlementaire onderzoekscommissie.

Lipszyc: De ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken (Koen Geens en Pieter De Crem, beiden CD&V, nvdr) hebben de laatste hand gelegd aan een kadernota over dat project. Je kunt het vergelijken met de kruispuntbank voor de sociale zekerheid. Alleen zou deze kruispuntbank gelinkt zijn aan datasystemen van de politie, de inlichtingendiensten en justitie. Wij staan daar zeer positief tegenover. Het is een onmisbaar instrument. Maar het Openbaar Ministerie wil voorlopig niet mee: het wil een monopolie op justitie-informatie. Vanuit zijn standpunt zijn er zeker begrijpelijke argumenten voor. Eigenlijk moeten we de hele discussie fundamenteel opnieuw voeren: hoe verbeter je de openbare veiligheid en respecteer je tegelijkertijd de scheiding der machten?

Hoe meer databanken je verbindt, hoe groter de kans dat ook foute informatie blijft circuleren.

Lipszyc: Burgers moeten inderdaad de garantie krijgen dat de opgeslagen informatie correct is en zelfs wordt vernietigd wanneer nodig. Want er gebeuren wel degelijk fouten en excessen. Met het Comite I zou ik ook graag de kwestie van het recht op vergetelheid in databanken van inlichtingendiensten aankaarten.

Geeft u eens een voorbeeld van foute informatie die bleef rondgaan.

Lipszyc: Voor een baan op de luchthaven van Zaventem kreeg een dame een negatief veiligheidsadvies van de Nationale Veiligheidsoverheid (het bevoegde departement binnen Buitenlandse Zaken, nvdr). Als voorzitter van het Comité I ben ik ook voorzitter van het Beroepsorgaan inzake veiligheidsadviezen. Wij onderzochten de kwestie. Wat bleek? De identiteitskaart van die dame was eerder gestolen, en werd later gebruikt bij fraude. De feiten werden op haar naam geregistreerd in de Algemene Nationale Gegevensbank van de politie. Zelf was ze uiteraard onschuldig – dat oordeelde ook de Kamer van Inbeschuldigingstelling. Maar ook nadat de zaak geseponeerd was, bleven de pv’s over fraude op haar naam in de politiedatabank aanwezig.

Wij vernamen dat de vriendin van Ali El-Haddad Asufi, verdacht van betrokkenheid bij de aanslagen in Parijs en Brussel, vier jaar lang op de luchthaven van Zaventem kon blijven werken, mét een positief veiligheidsadvies. Kunt u dat bevestigen?

Lipszyc: De afgelopen maand heb ik een aantal zaken aangekaart bij de ministers van Buitenlandse Zaken (Philippe Goffin, MR, nvdr), Justitie en Binnenlandse Zaken. Het gaat om kwesties die me ter ore waren gekomen als voorzitter van het Beroepsorgaan. Een daarvan is het voorbeeld dat u noemt. Ik heb de ministers er vertrouwelijk over geïnformeerd, gelet op het belang van deze kwestie voor onze instellingen. Maar nu u mij expliciet naar deze zaak vraagt, wil ik de informatie juist kaderen.

De vrouw in kwestie was komen aankloppen bij het Beroepsorgaan.

Lipszyc: Inderdaad, in de loop van dit voorjaar. Ze werkte voor Swissport op de luchthaven van Zaventem. Daarvoor heb je een positief veiligheidsadvies nodig van de Nationale Veiligheidsoverheid, dat vijf jaar geldig blijft. Toen ze haar veiligheidsadvies wilde verlengen, werd dat geweigerd. Want wat bleek? Ze was de vriendin – het lief – van een van de terreurverdachten van de aanslagen van Parijs én Brussel. In 2019 is hij aan Frankrijk uitgeleverd. Maar toen hij nog in België in voorhechtenis zat, bleef ze hem bezoeken in de gevangenis.

Tegen het Beroepsorgaan zei ze dat haar vriend beweert onschuldig te zijn en dat ze hem gelooft. Nochtans komen verschillende magistraten allemaal tot dezelfde lezing van de zaak. We voelden aan dat ze in ontkenning leeft. We hebben haar veiligheidsadvies dan ook niet vernieuwd. We trekken haar integriteit niet in twijfel, maar oordelen dat ze kan worden beïnvloed. En in luchthavens, kerncentrales en op andere plekken moeten we net risico’s vermijden.

Wat toont dit voorbeeld?

Lipszyc: De kern van de zaak is natuurlijk dat zij zo lang onder de radar kon blijven. Ze bleef gewoon in Zaventem aan de slag. Pas toen ze een nieuw veiligheidsadvies aanvroeg, kreeg de Nationale Veiligheidsoverheid te horen dat zij het lief was van een terreurverdachte. Tussen de registratie van bepaalde informatie en de intrekking van een positief advies gaan soms jaren voorbij. Dat is onaanvaardbaar.

En dat was niet de enige problematische case die u aan de ministers signaleerde?

Lipszyc: Een ander voorbeeld gaat eveneens over de luchthaven van Zaventem. Een veiligheidsagent van een luchtvaartmaatschappij werd gearresteerd omdat hij een verboden wapen op zak had – een mes verborgen in een creditcard. Daarna behield hij nog anderhalf jaar zijn positieve veiligheidsadvies, zelfs nadat hij door de rechtbank veroordeeld was.

Nog een ander voorbeeld gaat over een militair. Tijdens een huiszoeking bij hem troffen speurders 100 kilogram munitie, 32 granaten, gestolen wapens en 1 kilo TNT aan. De man bleek een echte wapenfreak. Ook hij kon daarna 18 maanden zijn positieve veiligheidsadvies behouden. En zo kan ik wel even doorgaan.

Hoe reageerden de ministers toen u die zaken aankaartte?

Lipszyc:Philippe Goffin was verbijsterd. Ga de slachtoffers van de aanslagen in Brussel maar eens uitleggen dat de vriendin van een van de vermeende daders nog altijd op de luchthaven werkt. Onvoorstelbaar. Mocht je dat in een filmscript schrijven, je zou niet serieus genomen worden. Goffin heeft binnen de Nationale Veiligheidsoverheid – waarvoor hij als minister van Buitenlandse Zaken verantwoordelijk is – onmiddellijk een werkgroep opgericht.

Aan het begin van de lockdown klonk in de 007-wandelgangen dat Russische inlichtingendiensten opmerkelijk actief waren in België. Klopt dat?

Lipszyc: Ik deel uw bezorgdheid over de activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten op Belgisch grondgebied. Dat is een echte zorg. Ze zijn steeds meer aanwezig, hebben steeds meer middelen, en proberen de structuren van de staat te verzwakken.

U startte zelfs een onderzoek om na te gaan hoe onze eigen inlichtingendiensten omgaan met het risico van mogelijke infiltratie.

Lipszyc: Sommigen hebben dat verkeerd voorgesteld door te beweren dat buitenlandse spionnen in de Belgische diensten zouden zijn geïnfiltreerd. Kijk, wij onderzoeken de werkwijzen die onze inlichtingendiensten intern toepassen om de betrouwbaarheid van hun medewerkers te garanderen. De loopbaan van een inlichtingenofficier kent drie fasen: eerst wordt hij aangeworven, vervolgens heeft hij een professioneel leven, en ten slotte verlaat hij de dienst met een zekere kennis. Tijdens elk van die drie fasen moet je nagaan of die persoon betrouwbaar is.

Stel dat een ADIV-medewerker in Congo of Rwanda een prostituee bezoekt. Maakt dat hem kwetsbaar?

Lipszyc: We zijn geïnformeerd over dossiers waarbij de veiligheidsmachtiging werd ingetrokken omdat er een risico bestond. Wanneer een persoon vatbaar is voor chantage, zou men hem kunnen vragen om inlichtingen over te maken. De intrekking van de machtiging is in dat geval gerechtvaardigd. Dat is precies het soort risico waarvoor diensten zich moeten wapenen.

Een medewerker van een Belgische inlichtingendienst blijkt aan een Chinese staatsuniversiteit te hebben gestudeerd. Een risico?

Lipszyc: Alleen wanneer hij of zij dat zou hebben proberen te verhullen. Een vergelijkbare case is dit: trouw je met een persoon uit een risicoland, dan moet je je hiërarchie daarover inlichten.

In 2016 sloot de ADIV een Memorandum of Understanding af met de Rwandese inlichtingendiensten. Dat was erg controversieel.

Lipszyc: We hebben ontdekt dat de ADIV daarvoor géén voorafgaande politieke goedkeuring had gevraagd. Nochtans vinden we dat onontbeerlijk, zowel voor formele als voor informele samenwerkingsovereenkomsten – slechts 15 procent van dat soort afspraken die de ADIV met buitenlandse partners sloot, werd op papier gezet.

Verder bleek dat de ADIV zijn Rwandese partner niet voorafgaand had geëvalueerd. Nochtans legt een ministeriële richtlijn dat op. Die evaluatie deed de ADIV pas later. Bovendien was ze te beknopt en onvoldoende gedocumenteerd.

Recent onderzocht u de opvolging van politieke mandatarissen door onze inlichtingendiensten. Wat blijkt daaruit?

Lipszyc: Tijdens de eerste vergaderingen met onze parlementaire begeleidingscommissie wilden verschillende parlementsleden – zowel van Vlaams Belang als van de PTB/PVDA – weten of zij zelf door Belgische inlichtingendiensten waren gevolgd. Zo is dat onderzoek begonnen. De wet beschermt momenteel drie beroepscategorieën in België: artsen, journalisten en advocaten. In andere landen worden parlementsleden beschermd, in België niet. Ze kunnen op twee manieren opduiken tijdens onderzoeken van inlichtingendiensten. Ofwel als slachtoffer, omdat er een poging wordt gedaan om hen te benaderen. Ofwel als deelnemer aan activiteiten die de staat kunnen bedreigen.

Duiken namen van politici vaak op in onderzoeken?

Lipszyc: In 2019 maakte de Staatsveiligheid 368 documenten op waarin de naam van een of meerdere mandatarissen vermeld staan. We hebben voorgesteld om voortaan twee keer per ambtstermijn een onderzoek uit te voeren naar zulke informatie. We zullen nagaan of de informatieverzameling wettig en proportioneel gebeurt en of alle procedures correct gevolgd zijn. Zo moeten de minister van Justitie en de premier worden geïnformeerd wanneer namen van politici opduiken.

Hoever gaan verdachte contacten van sommige politici?

Lipszyc: Het enige dat ik daarover kan zeggen, is dat de vorige Kamervoorzitter (Siegfried Bracke, N-VA, nvdr) aan het federaal parket belastende informatie heeft overgemaakt over één parlementslid.

Ligt het gevoelig dat in jullie begeleidingscommissie ook leden van PTB/PVDA en Vlaams Belang zitten, gelet op de aandacht van inlichtingendiensten voor extreemlinks en extreemrechts?

Lipszyc: In september zullen we aan het parlement verslag uitbrengen over de manier waarop onze inlichtingendiensten kijken naar rechts-extremisme. Het is duidelijk dat de partijen in onze begeleidingscommissie een politiek standpunt zullen innemen over zo’n verslag.

Wat staat er in dat verslag?

Lipszyc:Die scoop is voor het parlement. Wat ik wel kwijt kan, is dat er binnen Belgische instellingen een tendens is om extreemrechts minder als een probleem te zien. Dat geldt ook voor sommige individuen binnen de inlichtingendiensten.

Nochtans waarschuwde de Staatsveiligheid in haar recente jaarverslag uitdrukkelijk voor extreemrechts.

Lipszyc:De chefs van beide inlichtingendiensten zijn daar heel duidelijk over. Maar sommige medewerkers schatten die bezorgdheid anders in. Ik wil graag verwijzen naar de recente aanval tegen het parlement met een molotovcocktail. De vermeende dader stond dicht bij extreemrechts in Vlaanderen.

Het Brusselse parket opende een opsporingsonderzoek naar Nicolas Ullens de Schooten, een voormalige werknemer van de Staatsveiligheid, wegens schending van het beroepsgeheim. Is hij een klokkenluider?

Lipszyc: Zo presenteert hij zich alvast.

Wat vindt u?

Lipszyc: Hij heeft een klacht ingediend tegen de chef van onze enquêtedienst wegens doodsbedreigingen (de chef betwist met klem, nvdr). Ik vraag maar één ding: dat justitie zo snel mogelijk haar werk doet, want het is ondraaglijk dat dit dossier maandenlang open blijft staan. De hele kwestie kan ook het Comité I in diskrediet brengen. Dat wil ik absoluut vermijden. Ik wil niet dat onze onderzoeken in twijfel worden getrokken. Het is in het belang van iedereen dat justitie snel duidelijkheid schept. Ik wilde dat het even snel kon gaan als toen Didier Reynders (MR) van elke blaam gezuiverd werd (nadat hij door Ullens de Schooten beschuldigd was van corruptie, nvdr).

Begin 2020 presenteerde ADIV-topman Claude Vandevoorde de nieuwe structuur van zijn dienst. Kort daarna klonk kritiek van sommige insiders en anciens: ‘De afdeling contraspionage móét geleid worden door een burger.’

Lipszyc: Het achterliggende discours is dat militairen elkaar niet zouden verklikken, en dat daarom het best een burger het laatste woord heeft inzake contraspionage. Maar in de hervorming van de ADIV is er al de wil om systematisch een burger naast een militair te plaatsen. Trouwens, een aantal personen die nu kritiek uiten, zo bleek uit een Comité I-onderzoek van voor mijn tijd, hadden zelf geen goede managementskills en bleken onmogelijk om mee samen te werken.

In de wandelgangen klinkt het dat de dissidente ADIV’ers aangestuurd worden vanuit CD&V-hoek. Uw reactie?

Lipszyc: Historisch gezien zijn er verschillende visies op Defensie. Moet dat departement geleid worden door de CHOD, een militair? Of komt er het best, zoals bij de verschillende Federale Overheidsdiensten, een burger als voorzitter? (Ludwig Van der Veken, kabinetschef van minister Pieter De Crem, heeft als secretaris-generaal de hoogste burgerlijke functie binnen Defensie, nvdr)

Is Claude Vandevoorde geslaagd in zijn ADIV-hervormingsmissie?

Lipszyc: Wat mij vandaag vooral bezighoudt als voorzitter van het Comité I, is dat Vandevoordes vertrek is aangekondigd. In de generaalscarrousel zal hij in principe opgeroepen worden voor een nieuwe functie. De ADIV krijgt dus hoogstwaarschijnlijk een nieuwe baas. De werknemers en partnerdiensten hebben vooral behoefte aan continuïteit. Hopelijk zal Vandevoordes opvolger zijn werk voortzetten in dezelfde filosofie.

Tot slot: na de zomer bespreekt het parlement de begroting voor 2021. Vreest u besparingen voor het Comité I?

Lipszyc: Het Rekenhof heeft pas een tweede controle van de satellietinstellingen van het parlement uitgevoerd (zoals het Comité I, het Comité P en het Controleorgaan op de politionele informatie, nvdr). We hebben voorstellen geformuleerd voor de toekomst: namelijk synergieën, toenadering en zelfs de reorganisatie van de veiligheidswereld. We zijn ons bewust van de begrotingsproblemen en van de noodzaak om structuren nog efficiënter te maken.