25 jaar na de moord op de Belgische para's in Rwanda: de pijnlijke verhalen van de nabestaanden

26/03/2019, 05:21
Zoon en weduwe van Lotin in Camp Kigali
© VRT

Op 6 april 1994 wordt het vliegtuig van de Rwandese president Juvénal Habyarimana uit de lucht geschoten. De volgende dag slachten militairen van het regeringsleger uit wraak tien Belgische blauwhelmen af. De andere Belgische blauwhelmen keren terug naar huis, en in Rwanda breekt een genocide uit. Resultaat: 800.000 doden. “Mijn broer dacht dat hij naar Club Med ging, vakantie vieren in Rwanda. Dat hadden zijn oversten hem wijsgemaakt.”

In de mistroostige straten van Seraing, waar de lucht een tikje grijzer is dan in de rest van het land, is het leed nog niet geleden. Joseph Plescia, een warmbloedige Italiaanse Belg, kan niet aanvaarden dat hij zijn tweelingbroer Louis al een kwarteeuw moet missen. “Sinds zijn dood,” zegt hij, “ben ik maar half.” Zijn Italiaanse mama, Annina Gatto, versterkt het lamento met scherpe commentaren en onpeilbare stiltes. Het drama in Kamp Kigali trilt nog altijd na in het Waalse werkmanshuis.

Joseph Plescia: “Als tweeling ben je meer dan broers, je bent hechter, de ene kan niet zonder de andere. Zo was het ook bij ons: Louis en ik waren onafscheidelijk. Tot de dag dat hij trouwde, sliepen wij thuis in dezelfde kamer. Op een keer was ik met het nationale zwemteam op stage in het buitenland en moest Louis alleen slapen. In de loop van de nacht hoort mijn moeder gerucht in de kamer waar ze met papa ligt, ze opent haar ogen en ziet mijn broer op de grond liggen. ‘Louis,’ zegt ze verschrikt, ‘wat doe jij hier in hemelsnaam?’ – ‘Ik kan niet alleen slapen,’ zei hij.”

Annina Gatto: “Een volwassen kerel die in zijn vrije tijd gevechtskunsten beoefende, maar hij had zo’n klein hartje. Hij kon niet zonder zijn broer.”

Plescia: “Sinds hij er niet meer is, voel ik me een wees.”

Waarom is Louis bij het leger gegaan?

Plescia: “Zijn coach in de gevechtskunsten was een oud-paracommando. Hij heeft Louis aangespoord de opleiding te volgen. Hij heeft ze met succes volbracht, het was ook helemaal zijn ding: hij was een para. Hij wilde zo graag op avontuur naar Afrika. Toen de para’s in 1990 voor het eerst op missie naar Rwanda vertrokken, zat hij vast in de kazerne van Vottem. Hij kon niet mee en hij baalde verschrikkelijk. Maar in 1993 ging hij wel mee naar Somalië, en in 1994 naar Rwanda. Drie weken later was hij dood.”

Hoe is hij naar Rwanda vertrokken?

Plescia: “La fleur au fusil – met een bloem in de loop van zijn geweer. De Belgische blauwhelmen maakten deel uit van de VN-vredesmacht. Hij moest de vrede bewaken.”

Gatto: “Hij dacht dat hij naar Club Med ging: vakantie vieren in Rwanda.”

Plescia: “Dat hadden zijn oversten hem wijsgemaakt. ‘De toestand in Rwanda is in niets te vergelijken met wat we in Somalië hebben meegemaakt,’ zeiden ze. In Somalië was het heftig geweest, daar hadden ze talloze vuurgevechten meegemaakt. Maar daar waren ze wel ingezet als soldaten: ze konden schieten als de plaatselijke milities elkaar onder vuur namen. In Rwanda mochten ze alleen helpen: de veiligheid van de bevolking verzekeren, ontwapenen, erop toezien dat het vredesakkoord van Arusha werd nageleefd. Maar waarom moeten soldaten dat doen als ze geen soldaat mogen zijn? Ze mochten niet schieten, tenzij in geval van zelfverdediging.”

Gatto: “Op 6 april heeft de zoon van Louis de hele dag zitten wachten bij de telefoon. Hij verwachtte felicitaties van zijn vader voor zijn 6de verjaardag, maar die zijn niet gekomen. Wij begrepen dat niet. Eén dag later zagen we vreemde dingen op tv: het vliegtuig van de Rwandese president was neergeschoten, blauwhelmen waren vermoord, Hutu’s en Tutsi’s stonden elkaar naar het leven in de straten van Kigali. Ik had een naar voorgevoel. De hele avond hebben we zitten wachten op nieuws uit Kigali, maar er kwam niets. Op een gegeven ogenblik stond ik op: ‘Ik ga naar bed’ – ik was het wachten beu. Maar om twee uur ’s nachts stond hier een man voor de deur. Een militair. We wisten genoeg.”

Plescia: “‘Louis is dood,’ zei hij. ‘En negen andere jongens ook. Maar het is snel gegaan: ze zijn gefusilleerd – kogel in het hoofd. Ze hebben niet geleden.’ Wij geloofden hem. Wisten wij veel, wij waren kapot van verdriet, wij geloofden het leger toen nog.”

Uitzinnige meute

In Rwanda was alles in een stroomversnelling gekomen na de moord op president Juvénal Habyarimana. De bevelhebber van de VN-blauwhelmen in Rwanda, de Canadees Roméo Dallaire, had met premier Agathe Uwilingiyimana de afspraak gemaakt dat zij in de vroege ochtend na de aanslag de bevolking zou toespreken op de nationale radio. Een contingent Belgische blauwhelmen zou haar daarbij vergezellen. Maar zover is het nooit gekomen. De Belgische blauwhelmen werden bij het huis van de Rwandese premier onder vuur genomen en overmeesterd door troepen van het Rwandese regeringsleger. Agathe werd vermoord en de Belgen werden met vijf Ghanese blauwhelmen, die Agathe hadden bewaakt, in een minibus overgebracht naar Kamp Kigali, een kazerne even verderop.

Luitenant Yves Theunissen was op het moment van de feiten in Kigali.

Yves Theunissen: “Tot 6 april verliep alles naar wens. Het was rustig in Kigali, al merkten we wel dat de spanning opliep: op patrouille zagen we her en der een lijk liggen, we drukten opstootjes tussen Hutu’s en Tutsi’s de kop in, maar we hadden er geen besef van dat de genocide op het punt stond uit te breken. Op 7 april, de dag na de aanslag, gingen de poppen aan het dansen. De Fransen, die als enigen het vliegtuig van Juvénal Habyarimana hadden doorzocht, patrouilleerden vanaf ’s ochtends vroeg in hun jeeps door de straten van de hoofdstad. Ze haalden overal documenten op die compromitterend materiaal konden bevatten. Na de middag zijn ze in zeven haasten terug naar Frankrijk gevlogen. Als u het mij vraagt, zaten de Fransen achter de aanslag op de Rwandese president.

“Maar goed, niet alleen de Fransen waren op straat gekomen, ook de militairen van het Rwandese regeringsleger hadden overal barricades opgeworpen. Er was beroering in de stad. En onze boy, een Rwandese man die voor ons kookte en ons onderdak verschafte, had op Radio Mille Collines gehoord dat de Belgen ervan werden beschuldigd dat zij het presidentiële vliegtuig hadden neergehaald. Het was duidelijk: het werd heel gevaarlijk voor ons.

“In de nacht van 6 op 7 april zijn omstreeks half drie ’s nachts twee konvooien vertrokken op de luchthaven van Kigali. Het ene ging naar de Belgische ambassadeur Johan Swinnen, het andere naar premier Agathe. De bevelhebber van het laatste konvooi was luitenant Thierry Lotin. Omstreeks vijf uur ’s ochtends heb ik op de radio vernomen dat Lotin in de rats zat. Twee korporaals van hem lagen op de grond met een wapen tegen hun hoofd. ‘Als we onze wapens niet afgeven, maken ze hen af,’ zei hij. ‘Wat doe ik?’ Na enig overleg liet kolonel Joseph Dewez (de tweede hoogste officier van het Belgische leger in Rwanda, red.) Lotin de keuze: ‘Jij bent de hoogste in rang ter plaatse, jij beslist.’

“Lotin stond voor een dilemma. De gulden regel is: een para geeft zijn wapen niet af. Nooit. Onder geen enkele omstandigheid. Maar als Lotin dat niet deed, waren twee van zijn manschappen dood – door zijn schuld. Hij heeft voor zijn mannen gekozen. Daarop hebben de Rwandezen hen gevangengenomen.

“Ik had de beschikking over een veertigtal goed getrainde en zwaarbewapende paracommando’s. We zaten vlakbij, op 800 meter van de sectie van Lotin. Even over zeven heb ik via de radio gepleit voor een interventie. Ik zei: ‘Wij staan klaar.’ Maar de rechterhand van kolonel Dewez wimpelde het voorstel af: ‘On ne bouge pas, wij hebben een oplossing.’ Oké, dacht ik, zij zullen het oplossen. Ik maakte me weinig zorgen: mannen van ons bataljon waren gevangengenomen, maar volgens de Conventie van Genève hoorden ze met respect te worden behandeld. Ze zouden vroeg of laat wel worden vrijgelaten.

“Maar na de middag sijpelden berichten binnen dat alle leden van de sectie-Lotin, na hun overbrenging naar Kamp Kigali, in koelen bloede waren afgemaakt. We waren verbijsterd: ‘Kennen die smeerlappen de Conventie van Genève niet?’ Maar algauw richtte onze woede zich op onze oversten, die helemaal geen oplossing hadden bedacht. Ze hadden niets gedaan. Generaal Roméo Dallaire is omstreeks tien uur in een wagen voorbij Kamp Kigali gereden. Hij heeft de Belgische blauwhelmen strijd zien leveren tegen een uitzinnige meute. En hij is niet gestopt: hij moest zogezegd naar een belangrijke vergadering. Majoor Peter Maggen, een Belg, was bij hem. Maar ook hij heeft de generaal niet aangepord om poolshoogte te nemen. Dat kwam hem niet toe, zei hij later: ‘Ik ben maar een majoor.’ (Zucht) Voor mij is het simpel: Dallaire en Maggen zijn de hoofdverantwoordelijken voor het drama.”

Er loopt een traan uit het linkeroog van Theunissen, maar hij spreekt met vaste stem. “Ik kende Thierry Lotin goed: we hebben samen onze opleiding in Marche-les-Dames gekregen. Topkerel. Uitstekende bevelvoerder ook, erg begaan met het welzijn van zijn manschappen. Daarom heeft hij ook zijn wapens afgegeven. (Zwijgt) Wij hadden hen kunnen redden.”

Zwaar verminkt

Bij Joseph Plescia strijden verdriet en woede om voorrang als hij het over de gebeurtenissen in Rwanda heeft. Hij kan niet vatten dat zoveel hoge vertegenwoordigers van het leger met droge ogen hebben gelogen tegen de nabestaanden van de slachtoffers. “We hebben jarenlang zelf de waarheid bij elkaar moeten puzzelen,” zegt hij.

Plescia: “Toen de andere blauwhelmen uit Rwanda terugkeerden, hebben we met sommigen van hen gesproken. Beetje bij beetje vernamen we dat het niet zo was gelopen als men ons had voorgehouden: de tien para’s hadden urenlang voor hun leven gevochten – de laatste overlevenden zelfs vijf uur. Het was geen snelle dood, geen kogel in hun kop. Ze zijn op gruwelijke wijze afgemaakt.

Source: Humo